Door prof. dr. Jelle Reumer, emeritus hoogleraar Vertebratenpaleontologie aan de Universiteit Utrecht en voormalig directeur van het Natuurhistorisch Museum Rotterdam
Insecten, vissen, vogels en zoogdieren, inclusief mensen, migreren. Het is een manier om ongunstige leefomstandigheden – droogte, kou, gebrek aan voedsel – te mijden. In de loop van de evolutie is migratie bij veel diersoorten een vast onderdeel geworden van hun levenswijze.
Dat dieren kunnen migreren is algemeen bekend. Wie kent niet de mooie V-vormige formaties van overtrekkende ganzen en wie verheugt zich niet op de terugkeer van de gierzwaluw tegen het einde van april? Niet alleen trekvogels migreren, vrijwel alle diersoorten zijn ertoe in staat; zelfs vastzittende soorten zoals zeepokken of oesters kunnen het. Maar waar zit het verschil tussen een eenvoudige verplaatsing en een werkelijke migratie? Wanneer een slak zich in de tuin van de ene naar de andere hosta begeeft om ervan te smullen, noemen we dat geen migratie. Wanneer een solitaire wolf van het oosten van Duitsland naar Drenthe loopt, is dat wel een vorm van migratie. We moeten dus op een of andere manier dierlijke migratie definiëren. In dit hoofdstuk beschouwen we migratie als het zich over een aanzienlijke afstand permanent of tijdelijk verplaatsen van het ene leefgebied naar het andere. Van de slak die van de composthoop naar de hosta kruipt wordt niet gezegd dat die migreert, maar van de gierzwaluw die heen en weer vliegt tussen de binnenstad van Utrecht en de Sahel zeggen we dat wel. Migratie is dus soms een beetje een arbitrair begrip.
Op eigen kracht of met hulp
Er moet ook onderscheid worden gemaakt tussen dieren die op eigen kracht migreren en dieren die dat met behulp van een andere soort doen. Parasieten bijvoorbeeld gebruiken dieren om zich te verplaatsen. De rondtrekkende wolf is nooit alleen: hij draagt uitwendige parasieten met zich mee zoals teken, vlooien en mijten, en vermoedelijk ook inwendige parasieten zoals wormen. Ook van die parasieten kun je zeggen dat ze migreren. Trekkende watervogels zoals eenden kunnen visseneitjes meenemen aan hun zwemvliezen. Sommige zeepokken gebruiken walvissen om zich te verplaatsen. Een dier dat door een andere soort gebruikt wordt als vehikel om zich te verplaatsen noemen we een vector. De walvis is de vector voor de zeepok, trekvogels zijn de vector voor het vogelgriepvirus. Ook de mens is een belangrijke vector voor allerhande soorten planten, dieren en ziekteverwekkers. Daarmee raken we ook aan het probleem van de (al dan niet invasieve) exoten, de soorten die hier niet op eigen houtje zijn gekomen maar van ver – vaak van een ander continent – met de mens zijn meegelift of meegenomen.
Klimaatverandering
Dieren kunnen om verschillende redenen migreren. Seizoensgebonden migratie van vogels of zoogdieren heeft veelal te maken met een gebrek aan voedsel in het ongunstige seizoen of een ongunstig – te koud, te droog – klimaat. De dieren trekken dan naar een leefomgeving waar wel voldoende voedsel aanwezig is. In de winter komen vogels uit noordelijke streken zoals kramsvogels, pestvogels en koperwieken hierheen. Maar los van dergelijke seizoensgebonden migratie verschuiven dieren hun leefgebieden ook door de klimaatverandering. Dat speelde ook in het geologische verleden een rol.
Tijdens de ijstijden van het Pleistoceen – zo’n 2,6 miljoen tot 12 duizend jaar geleden – vormden de mediterrane schiereilanden (het Iberisch schiereiland, Italië en de Balkan) voor veel soorten een toevluchtsoord om de ergste koude te ontlopen. Van verschillende soorten kleine zoogdieren is bekend dat hun isolement in deze refugia zo lang heeft geduurd dat er afzonderlijke soorten ontstonden die, toen het klimaat opwarmde, weer in noordelijke richting migreerden maar toen onderling niet meer konden kruisen: migratie leidt dan tot soortvorming.
Ook tegenwoordig zien we klimaatgerelateerde migratie. In de Noordzee komen steeds meer zuidelijke soorten voor die profiteren van de langzame opwarming. Op land zien we hetzelfde fenomeen. We noemen hieronder een paar voorbeelden, maar er zijn er veel en hun aantal neemt toe naarmate het klimaat opwarmt. Ze worden wel aangeduid met de term ‘klimaatopschuivers’. Het zijn nadrukkelijk géén exoten, want ze zijn geheel op eigen kracht hierheen gekomen.
Klimaatopschuivers
De volgende klimaatopschuivers zijn voorbeelden van klimaatgerelateerde migratie. Het zijn geen exoten maar ze zijn op geheel eigen kracht naar Nederland gekomen.
Goudjakhals (© Jan Nijendijk/Saxifraga).
De goudjakhals is een hondachtig roofdier dat qua maat het midden houdt tussen een vos en een wolf; hij rukt vanuit zuidoostelijk Europa in noordwestelijke richting op en is inmiddels ook in Nederland waargenomen.
Turkse tortel (© Theo Verstrael/Saxifraga).
De Turkse tortel leefde oorspronkelijk in Klein-Azië. In de jaren dertig van de twintigste eeuw verspreidde deze vogel zich over de Balkan en tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog had de duif het grootste deel van Europa aan zijn areaal toegevoegd. In 1950 werd het eerste Nederlandse broedgeval gemeld. Tegenwoordig leeft de Turkse tortel in geheel Europa, behalve op IJsland. Er zijn meer vogelsoorten die noordwaarts trekken, zo worden in ons land steeds vaker bijeneters en hoppen waargenomen.
De vroege verdorrende kastanjebladeren zijn het gevolg van de aanwezigheid van de kastanjemineermot.
De nachtvlinder is in 2018 in Nederland neergestreken (© Shutterstock).
De kastanjemineermot is een klein nachtvlindertje waarvan de motjes gangetjes graven (mineren) in de bladeren van de witte paardenkastanje. Hij werd in 1985 in Macedonië ontdekt en beschreven, en maakte sindsdien een ongekend snelle opmars in noordelijke richting. In 2018 werd de eerste in Nederland aangetroffen en tegenwoordig is er geen kastanje meer te vinden die niet de kenmerkende bruine bladvlekken vertoont.
Benieuwd naar welke klimaatopschuivers er nog meer zijn?
Lees verder in het boek Migratie of in het online dossier.