Door prof. dr. Roy Erkens, hoogleraar Evolutionaire Diversiteit en Biogeografie bij het departement System Earth Science van de Universiteit Maastricht
Planten komen over het algemeen in een beperkt gebied voor. Sommige planten verspreiden zich over een heel groot areaal, andere beperken zich tot een geïsoleerd gebied, zoals een enkel eiland. Over het algemeen is het spectrum van de omstandigheden waaronder een soort zou kunnen leven groter dan het spectrum waaronder een soort daadwerkelijk leeft. Dit komt door abiotische factoren van een gebied – licht, temperatuur, vochtigheid – en de biotische factoren, de andere organismen die er leven.
Meestal bepalen ongunstige omstandigheden de grenzen van een verspreidingsgebied. Zo kunnen landorganismen niet in zee leven. Op het land zelf (of in de zee) wordt het verspreidingsgebied beperkt door de omgevingsfactoren van dat gebied zoals de temperatuur, de hoeveelheid beschikbaar water of de hoeveelheid geschikt voedsel. Maar zelfs als een bepaald gebied de juiste omstandigheden heeft, is het nog niet zeker dat een soort daar voorkomt. Alle soorten zijn namelijk beperkt in hun verspreidingsmogelijkheden. Niet ieder individu kan zomaar naar elke andere plek migreren. Zo kwamen verschillende soorten regenwormen van nature niet voor in Noord-Amerika, hoewel de omgeving daar prima geschikt voor was. De Atlantische Oceaan was een effectieve barrière, totdat mensen in de achttiende eeuw de wormen meenamen in de potaarde van planten.
Competitie
Een andere beperkende factor is competitie. De ene soort kan de andere soort effectief buiten een bepaald gebied houden. Daar waar bijvoorbeeld een volwassen bos staat, kunnen nieuwe planten zich minder makkelijk vestigen, omdat er al bomen staan. De mens beperkt het verspreidingsgebied van veel soorten door te snoeien, maaien en branden. Door het kort frequent maaien van een grasmat krijgen bijvoorbeeld madeliefjes geen kans om uit te groeien. Tot slot beïnvloeden herbivoren zoals rupsen, konijnen, herten, paarden of runderen rechtstreeks de grootte van de plantenpopulaties.

Het duinviooltje komt alleen in duingebieden langs de kust voor en niet in rivierduinen (© Ed Stikvoort/Saxifraga).
Verspreidingsgebied
De combinatie van geschikte omgeving, verspreidingsmogelijkheden, competitie en de aan- of afwezigheid van herbivoren bepalen dus het uiteindelijke verspreidingsgebied van een soort. Van alle soorten die wereldwijd of in Europa voorkomen, komt daarom maar een klein deel in Nederland voor. In een bepaalde regio bestaat de biodiversiteit dan weer uit een selectie van alle soorten die in Nederland voorkomen. Zo komen de duinviool en duindoorn vrijwel alleen in de duingebieden langs de kust voor en groeien niet in rivierduinen. Parnassia, daarentegen, komt zowel in kustduinen als in rivierduinen voor.
Opschuiven
Omdat de klimatologische omstandigheden door de tijd heen niet stabiel zijn, veranderen ook verspreidingsgebieden. Als het warmer wordt zullen warmtetolerante soorten kunnen uitbreiden en koudeminnende soorten hun verspreidingsgebied inkrimpen. Als het kouder wordt, gebeurt het omgekeerde. Verspreidingsgebieden kunnen ook opschuiven met de gunstige levensomstandigheden en lokaal heeft dit het verdwijnen van bepaalde soorten tot gevolg. We zien al dat koudeminnende soorten naar hogere breedtegraden verhuizen of hoger gelegen gebieden koloniseren. Als dit opschuiven niet mogelijk is (de top van de berg is bijvoorbeeld bereikt), zullen soorten – al dan niet lokaal – uitsterven.
Samenspel
Plantenwetenschappers bestuderen momenteel hoe de huidige verspreiding van biodiversiteit over de aarde tot stand is gekomen en waarom bepaalde gebieden op aarde veel soortenrijker zijn dan anderen. Het is duidelijk dat een mix van factoren in het verleden – de evolutionaire geschiedenis van soorten en het geologisch verleden van een gebied – en het heden hierbij een belangrijke rol spelen. De vegetatie rond de stuwwal bij Mook is bijvoorbeeld gevormd door de aanpassing van de vegetatie aan veranderende omstandigheden sinds de koude en droge omstandigheden van de laatste ijstijd. Het reliëf en de zandige en lössbodems uit die periode legden de basis voor de latere vestiging van bossen, heiden en graslanden. Factoren uit het heden, zoals bodemvocht, menselijke invloed en klimaat, sturen nu de verdere verspreiding en samenstelling van de vegetatie. Zo is het huidige landschap een samenspel van evolutionaire, geologische en actuele ecologische processen.
Benieuwd naar meer oorzaken van plantenmigratie? Lees verder in het boek Migratie of in het online dossier.